Elisheva Boumans       
 
Een nieuwe horizon

KORTE VERHALEN

Fragmenten

Het zijn flarden van broze herinneringen, kleine fragmenten gekleurd door de tijd. Nog even en ze zijn helemaal vervaagd en voorgoed in de verte verdwenen. De enige manier om ze te bewaren is ze beschrijven; zo blijven ze bestaan.

De fragmenten heb ik met behulp van mijn geheugen, een incompleet dagboek, veel gesprekken, diverse verslagen en andersoortige notities geschreven. In de loop van de tijd verschijnen ze hier op mijn tempo.


14-10-11 

Verbroken 

Half tien, ik kus mijn vriend, open het portier en loop zo snel als mijn hoge hakken verdragen over de smalle brug richting het karakteristieke zwarte hoekpand met de rood-oranje deuren en kozijnen. Even draai ik mij om en zwaai naar hem. 

‘Hoi Eli, hoe is het?' Goed, nog even de laatste stand van zaken doornemen?, vraag ik aan de mede-organisator tevens collega. ’Prima, wil je iets op deze beterschapskaart schrijven?’ Ik pak de kaart, schrijf ‘Beterschap’, onderteken met ‘Elswae’ en kijk tevreden rond; deze oude scheepswerf is een prachtige locatie voor een succesvolle dag.

Half één, lunchtijd. De ochtend lijkt in een waas voorbij gevlogen. De eigenaresse van het pand brengt een grote salade en een schaal belegde broodjes. Met een broodje zalm in mijn rechterhand wandel ik naar buiten, de ongelijke houten vlonder op waaronder het water vrolijk kabbelt. De najaarszon schijnt uitbundig en de gevels aan de overkant van het water laven zich aan de warme oktoberstralen. Ondertussen spreek ik een aantal collega’s over mijn lange vakantie en de succesvol gestarte compliance-opleiding.

Tien voor één. Voordat de middagsessie start snel ik naar de enige WC in het pand. De deur klemt een beetje en even denk ik aan de opsluiting in de wc van het pannenkoekenrestaurant afgelopen juni. Hopelijk hoef ik niet weer 112 te bellen voor bevrijding. Tot mijn grote opluchting draait het slot verrassend soepel open. Eenmaal in de zaal welt in mijn lijf een vreemd gevoel op; gelukkig biedt de stoel op het kleine podium aan de rand van de zaal uitkomst. Ik sla mijn armen over elkaar en zeg tegen mijn collega, die al op zijn hurken voor mij zit: ‘Ik voel me niet goed, ik voel me echt niet goed!’ Zijn gezicht staat zorgelijk. Ik zie zijn mond bewegen, maar waar is het geluid gebleven? Vanuit het niets beweegt mijn rechterarm, als een tak in een hevige herfststorm. Wat ik ook probeer, ik krijg hem niet onder controle. Het voelt alsof de verbindingen tussen mijn hoofd en lijf zijn doorgesneden. Dit is goed mis, flitst het door mijn hoofd en de gedachte dat ik op het punt sta deze bijeenkomst voor mijn collega’s te verpesten maakt mij verdrietig. Waarom juist nu? Als ik opkijk merk ik dat het beeld wazig en vervormd is, alsof ik door een trechter kijk waarop een slecht afgestelde caleidoscoop staat. Tegelijkertijd stroomt het geluid traag en vervormt bij mij binnen.

Dan hoor ik diverse mensen door elkaar heen praten en vraagt een rustige, gedecideerde mannenstem: ‘Kan je lopen?’ Voordat ik het goed en wel besef glijden meerdere handen daadkrachtig over mijn lijf en ruik ik de buitenlucht. Wat gebeurt er, waarom hang ik verticaal? Ik denk aan mijn moeder en vraag mij af, wie belt haar?


Toeval

Het is tien voor twee, mijn telefoon piept, ik zie jouw nummer op het scherm. Geïrriteerd druk ik de oproep weg. Twee minuten later rinkelt mijn vaste telefoon en piept mijn mobiel opnieuw. Mijn instinct zegt nu opnemen. ‘Hallo Mark, ik bel je om te vertellen dat Eli na de lunch onwel is geworden en met spoed naar het VUmc is gebracht’, hoor ik een trillende stem zeggen. ‘Ok, ik kom er aan’. Beduusd kijk ik de vergaderzaal rond en zeg kalm: ‘Eli is opgenomen in het ziekenhuis; ik moet daar nú naar toe’. Ik grijp mijn mobiel, ren naar beneden, sjees naar het ziekenhuis, parkeer mijn auto overdwars, sprint de weg over, linea recta naar de eerste hulp. Daar zie ik een jonge vent met jouw handtas nerveus om zich heenkijkend. Ik had mij onze eerste ontmoeting anders voorgesteld, op een schreeuwerig feest of zo. ‘Vanochtend tijdens de presentaties was ze al in de war, ze herhaalde namelijk wat ik zojuist had verteld, niets voor haar. En in de ambulance sprak ze wartaal, Nederlands en Engels door elkaar; geen touw aan vast te knopen. Oh ja, mijn schoonmoeder is zojuist ook liggend binnengereden’. Vol ongeloof kijk ik hem aan.

Na ongeveer twintig minuten neemt een verpleegkundige ons mee naar de afdeling radiologie, waar op dat moment jouw hoofd in een bonkende scan ligt. Gelaten wachten we af. Rond drie uur rol je de afdeling op, je herkent mij onmiddellijk en begint te huilen, ik huil mee. 

Vanuit radiologie vertrekt de stoet richting neurologie. In de behandelkamer stellen de neurologen zich aan mij voor. Eén heeft een bekende naam; haar vader heeft mij destijds ergens in dit gebouw op de wereld gezet. ‘Bij uw vriendin is sprake van een volledige verstopping in één van de grote afvoerende aders in haar hoofd. Door de omvang is er een grote hersenbloeding links, en een kleine rechts ontstaan. Met name de grote bloeding baart ons zorgen; deze is hoogstwaarschijnlijk de oorzaak van de uitvalsverschijnselen.’ Ik kijk toe en luister hoe de neurologen verder lichamelijk onderzoek verrichten en vragen stellen. Reacties en antwoorden blijven uit waardoor er in de kamer lichte paniek ontstaat; artsen, assistenten en verpleegkundigen marcheren nu in hoog tempo de kamer in en uit. Ik hoor ze praten over een transfer met de traumahelikopter naar UMC Utrecht of het AMC. Alleen, de heli is niet beschikbaar. De onrust ontgaat jou volledig, alsof je ergens anders bent. Ineens zit je rechtop en zegt: ‘O wat mooi, o wat mooi!’, waarop de neuroloog vraagt: 'Wat zie je dan?’. Geen antwoord. Inmiddels ben je zo ver weg, zo stil, jouw ogen draaien vreemd rond in een lijkbleek gezicht. Haastig pakt een arts een bakje en duwt het onder je kin; de zalm is vrij. De voorspelde epileptische status is een feit. Dan loopt een assistent binnen en zegt : ‘Het AMC eist haar op’.


Race

‘Waar blijft die kutambulance nou?’ hoor ik iemand gestrest naast mij zeggen. De twee ambulancemedewerkers achter hem geven geen kick. Eén tel later klinkt het verlossende signaal, je mag op transport naar het AMC waar een team paraat staat. Jouw collega vertrekt richting de scheepswerf met een bloedstollend verhaal.

Voorzichtig hevelen ze je over van bed naar brancard. Ik neem voorin plaats met de scans op schoot en we rijden met de gillende keukenmeid op het dak het VUmc uit, de snelweg op. Ter hoogte van de RAI hoor ik via de centrale dat er politie-assistentie geregeld is. Dit verbaast mij niet gelet op de vele mafklappers die wij onderweg passeren: aanhoudende linkerbaanplakkers, koptelefoondragende zombies en andere waanzinnigen. ‘O, dit is dagelijkse kost, ik ben wel wat gewend’, zegt de chauffeur onverstoorbaar, zijn ogen geconcentreerd op de rijbaan. Onderaan de afrit naderen we de betreffende kruising waar het verkeer door een motormuis is stilgelegd. Dan racet de ambulance de werkplaats binnen waar, net als in de film, een grote groep werklui in witte jassen en groene pakken ons opwacht. Voordat ik er erg in heb is mijn deur opengerukt en de envelop foetsie. Ik stap de gele bus uit en zie nog net hoe de brancard verdwijnt. Weg ben je, na een dollemansrit van zeven minuten. Beduusd loop ik richting de ingang waar de deuren van de traumaruimte zich hermetisch voor mijn snufferd sluiten. 

Ik bel jouw broer en vertel hem de ongelofelijke waarheid. ‘Eli maakt zich erg veel zorgen over jullie moeder; ik denk dat het verstandig is haar niet in te inlichten voordat er meer duidelijkheid’. Tijdens het eindeloze wachten verstrekt een witte jas af en toe wat informatie. Ik houd het niet meer en zoek een klein kamertje op. Bij terugkomst is een witte jas op zoek naar mij. ‘Meneer, uw vriendin verkeert nu in een kunstmatige coma, deze is nodig voor verdere stabilisatie. We brengen haar naar de intensive care voor verdere behandeling’. Een leger verpleegkundigen stopt je vol met propofol, heparine, zout, zuurstof, suiker, ijzer, paracetamol en andere heerlijkheden uit de huisapotheek om de bijwerkingen te compenseren. 

Rond zeven uur volgt jouw vijfde rit, dwars door de lange, helverlichte gangen van het AMC, waarbij liften en automatische klapdeuren een ware hindernisbaan vormen. In dit doolhof is het tempo nauwelijks bij te benen en bij aankomst op de IC heb ik naar mijn gevoel een halve marathon afgelegd. Tijd om bij te komen krijg ik niet. Het volgende voelt alsof er een metro aankomt; de ruimte trilt, geluid zwelt aan en een grote menigte rondom een brancard raast de ruimte binnen. Enkele seconden later holt een groen pak met een in een laars gestoken onderbeen er haastig achteraan.


Nood

‘Neemt u hier plaats’, zegt een onbekende verpleegkundige tegen mij en wijst naar de plek in de hoek met uitzicht op jou. Het bijna absurdistisch schouwspel kent vele aktes waarin artsen, verpleegkundigen, ambulancemedewerkers en andere niet te identificeren mensen de ruimte in en uit rennen en iedereen de toebedeelde taak snel, adequaat en zonder elkaar aan te raken uitvoert. 

‘Waarom is mevrouw niet uitgekleed?', vraagt de behandeld neuroloog in opleiding geïrriteerd aan de IC-ververpleegkundige ‘Ehh, ik ben al bezig’, stamelt ze en vervolgt rustig haar opdracht. Ik schiet haar te hulp en samen pellen we je laag voor laag af. Eerst stel ik jouw schoenen veilig, omdat de neurologen in het VUmc deze al met buitengewone belangstelling bewonderden. Die gezichten, als ik gekscherend zeg ik dat maat 35,5 voor hen echt te klein is! Voorzichtig verwijder ik jouw sieraden en stop ze in jouw handtas. Dan de zwarte broek en slip, deze laatste is behoorlijk gevuld met een welriekende hoop. Door de zware epileptische aanval heb jij alles laten lopen en alsof het een kostbaar souvenir is, stop ik het in een plastic zak. Aansluitend is jouw bovenlichaam aan de beurt. Het nieuwe vest laat zich makkelijk verwijderen, dit in tegenstelling tot het bijhorende zijden hemdje. Om jou te bevrijden, zonder dat de aangesloten apparaten de kermis groter maken dan die al is, knipt de verpleegkundige het hemdje behendig van jouw lijf. Ten slotte open ik met geoefende vingers jouw bh. ‘Zijn haar lenzen al verwijderd?', vraag ik. Meerdere ogen kijken mij met volle verbazing aan. ‘Draagt mevrouw lenzen?’ Niemand heeft dus tijdens het vele koekeloeren in jouw ogen met de felle minizaklampjes geconstateerd dat jij lenzen draagt. Wonderbaarlijk, zijn ze zo verblind door die blauwe kijkers? ‘Meneer wilt u nu wat afstand nemen in verband met haar privacy?’, vraagt de verpleegkundige. Alsof ik na jaren samenwonen mijn eigen vriendin niet van binnenstebuiten ken. De opbouw begint, je krijgt een katheter en het huispak, een grote hobbezak met een sluiting aan de achterkant, alleen het logo van het ziekenhuis ontbreekt. De nieuwe outfit is niet compleet zonder lange strakke witte steunkousen met een groot gat in de voetzolen. Als protest op dit uiterst modieuze ensemble begint jouw ademhaling onverwacht te piepen en kraken; zelfstandig ademen lukt niet meer waardoor er opnieuw een panieksituatie in de georganiseerde mierenhoop ontstaat. En voordat ik met mijn ogen knipper prikt een arts routinematig een gaatje in jouw luchtpijp en koppelt de beademingsapparatuur aan; ik haal opgelucht adem. 

Interview

Na vele zenuwslopende uren keert de rust eindelijk terug bij ons; bij jou door het werk van de uitermate nauwkeurige monitoren, bij mij door het strelen van jouw arm op het ritme van de piepjes. De hoe-wat-waarom-vragen spoken door mijn hoofd en langzaam dommel ik in. ‘Mag ik u een aantal vragen stellen?’, ik schrik wakker en kom overeind. Er staat een onbekende witte jas voor mij. ‘Natuurlijk’. Ze klapt een klemboord open waarop diverse papieren liggen, kijkt mij onderzoekend aan en begint. ‘Wat voor werk doet uw vriendin? Ze is jurist en werkt als senior compliance officer voor een beursgenoteerde verzekeringsmaatschappij. Heeft ze broers of zussen? Ja, een jongere broer. Wat is haar achtergrond en hoe komt ze aan die bijzonder naam? Elisheva is de Joodse vorm van Elizabeth; ze heeft Joodse roots aan haar vaders kant. Rookt ze? Nee, nooit gedaan. Sport ze? Ja, zeer regelmatig. Wij hebben elkaar in 1992 leren kennen bij het bommen. Bij het bommen?! Ja, dat is bewegen op muziek bij de ASVU’. Ik som verder jouw sportieve prestaties op: diverse halve marathons, de hele marathon van Amsterdam, tennissen en fitness. ‘Zijn er in het verleden ziektes bij haar vastgesteld? In 1986 heeft ze de ziekte van Pfeiffer gehad.’ Op de vraag of er belangrijke familiaire zaken zijn vertel ik over jouw vader die in 1999 aan de gevolgen van Non-Hodgkin is overleden, en over zijn longembolieën in de jaren voorafgaand. ‘Bij de behandeling van kanker komt trombose regelmatig voor, dat is niets bijzonders. O ja, ik vergeet iets. In 2007 is haar linkerbeen zomaar zonder duidelijke aanwijzing opgezwollen. In eerste instantie denkt ze aan een hardnekkige hardloopblessure en belt haar fysiotherapeut voor een afspraak. Die vertrouwt het niet en verwijst haar naar de huisarts, die haar op zijn beurt, nadat hij eerst geconstateerd heeft dat ze stevige kuiten heeft, naar een internist verwijst. Om het raadsel te ontmaskeren zegt zij dat een echo nodig is. Al met al zijn er veel weken verstreken en is haar been niet geslonken. De echo in het ziekenhuis verloopt klungelig waardoor een superieur het opnieuw moet uitvoeren. Blijkbaar is er te hard op haar been gedrukt. De uitslag is negatief, van trombose is geen sprake. Het eindgesprek met de internist in opleiding, een paar weken later, levert eveneens niets nieuws op. 'Is er geen vervolgonderzoek ingesteld?’, vraag de arts met grote verbazing. ‘Nee, geen’. Met precisie noteert ze mijn antwoorden.

Na dit uitvoerige relaas vervolgt ze de lijst en ik probeer zo adequaat mogelijk mijn antwoorden te formuleren. ‘Slikt ze de pil? Ja, de Diane 35 pil'. Zij kijkt mij aan, omcirkelt de vraag, staat op en verdwijnt abrupt.


Pacman

‘Meneer, de OK is gereed’, zegt de neuroloog i.o. Jouw bed met alle toeters en bellen verlaat de IC en hervat de rondreis. Voor de derde keer vandaag neem ik afscheid van jou, het valt mij steeds zwaarder.

In het Vumc is mij verteld dat er hier in het AMC een trial gaande is naar jouw ziekte: sinustrombose, een zeldzame vorm van een beroerte. De behandeling bestaat uit het verwijderen van de grootste stolsels in de afvoerende vaten in jouw hoofd, de zogenaamde sinus sagittalis superior. Via een buisje in jouw hals hapt een grijpertje de grootste stolsels weg. Dit alles in combinatie met heparine. De neuroloog legt uitvoerig en geduldig de operatie uit en wijst op het grootste risico: een nieuwe bloeding waardoor er nog meer schade in jouw hersenen mogelijk is. ‘Geeft u ons toestemming dat uw vriendin deelneemt aan dit gerandomiseerde onderzoek?’ Zonder een moment van aarzeling teken ik de overeenkomst voor loting, omdat ik weet hoe belangrijk jij wetenschappelijke onderzoek vindt. Uiteindelijk bepaalt de enigszins verouderde Dell computer de loting. Als werknemer van Dell heb ik het volste vertrouwen dat het oude kastje jouw lot gunstig is, en inderdaad, de computer says yessssss! ‘Ik stel voor dat u naar huis gaat en wat probeert te slapen, ik bel u zodra de ingreep klaar is’. 

Ik realiseer mij dat mijn auto in de parkeergarage van het VUmc staat; gelukkig biedt jouw ov-kaart uitkomst. Samen met jouw handtas, een zak kleren en een hoop shit loop ik naar de metro op een steenworp afstand. De mensen onderweg en in de metro zijn vooral met zichzelf bezig, slechts een enkeling bekijkt me even. Wellicht vanwege de geur? Over eventuele controle maak ik mij geen zorgen na deze enerverende dag. Na een korte reis stap ik uit en tik een klein vermogen af bij de parkeergarage. Door alle stress ben ik vergeten te eten, en in plaats van links af te slaan richting huis, ga ik naar rechts en rij voor een patatje oorlog naar de Febo; op dit uur van de dag een oord van reigers en andere paradijsvogels. Eenmaal thuis besef ik dat ik me van de route niets, maar dan echt helemaal niets, kan herinneren. Rond half twee piept mijn mobiel, het is de neuroloog: ‘In mijn bijzijn heeft de interventie-radioloog de grootste bloedstolsels uit de hoofdader verwijderd. De ingreep is zonder complicaties verlopen.’ Ik bedank de neuroloog voor zijn goede zorgen en bedenk dat operatie pacman is geslaagd.


 
 
 
 
Map
Instagram